“Jullie gaan toch wel kamperen?” Die vraag kregen we afgelopen jaar regelmatig. “Eh… ja. Nou ja. Een beetje”, was steevast mijn antwoord. Dit jaar sliepen we tijdens onze campingdagen namelijk in een safaritent. Eentje met ruimte, gewone bedden, een eigen badkamer, vaatwasser en airco. Zo’n enorme tent waarbij je je stiekem afvraagt of je nog wel een campinggast bent of dat je inmiddels een vakantiehuisjesmens met een tentdoek boven je hoofd bent geworden. Maar eerlijk? Ik vond het heerlijk. Toen we de tent binnenstapten, was mijn eerste gedachte: Prachtig! Wat een ruimte! En wat heerlijk dat alles al klaarstaat.

Na jarenlang met z’n vieren survivallen in een caravan, voelde het bijna decadent. Genoeg slaapkamers om beide dochters een eigen kamer te geven. Gewone bedden die breed genoeg waren. En elkaar kunnen passeren zonder eerst over een tas, stoel of slapende dochter heen te hoeven kruipen. Dat klinkt misschien als een detail, maar probeer maar eens met vier – inmiddels allemaal vrij grote – mensen in een compacte caravan te staan terwijl iedereen tegelijkertijd iets anders wil. De één wil naar buiten, de ander moet naar het toilet en nummer drie staat precies op de plek waar jij wilt zijn. In de safaritent was dat allemaal geen probleem. En als het warm werd? Airco aan. Ik begon me serieus af te vragen waarom we dit eigenlijk niet veel eerder hadden gedaan. Dat dacht ik trouwens ook al bij het inpakken, want allemachtig, wat scheelde dat een zee aan tijd.
Ik heb tegenwoordig wat meer behoefte aan rust dan vroeger. Met een baan, een huishouden dat continu doorgaat en een druk leven zijn die paar weken vakantie per jaar me super dierbaar. En de tijd met elkaar helemáál. En hoe leuk ik kamperen ook vind, het inpakken vooraf en het uitpakken en schoonmaken achteraf zijn toch een flinke klus terwijl je nog/alweer aan het werk bent. Dus ja, zo’n safaritent heeft voordelen. Je komt aan, gooit je spullen ergens neer en je vakantie kan beginnen. Geen caravan op zijn plek duwen, geen voortent opzetten en geen halve verhuizing voordat je eindelijk met een kop koffie op je stoel zit. Nou ja, je moet natuurlijk nog steeds je koffers uitpakken, maar dat is toch nét even anders dan een complete kampeeruitrusting opbouwen. Maar hoe fijn, praktisch en leuk ook… ik merkte stiekem toch ook dat ik iets miste.
Wat ik heel fijn vond, was dat onze safaritent niet in een apart laantje met alleen maar andere safaritenten stond. We stonden lekker tussen de gewone kampeerders. Caravans, campers, (dak)tenten… alles door elkaar. Heerlijk. En het zorgde ervoor dat ik me toch wel aardig onderdeel van het campingleven voelde. Het tentdoek zorgde er zelfs voor dat ik het gevoel had dat ik ook middenin dat campingleven mocht gaan slapen. Dempt niks hè, zo’n doekie? Had ik een beetje onderschat. Aan de ene kant hadden we Brabantse buren die tot diep in de nacht bulderden van het lachen. Aan de andere kant stonden Sloveense buren die om zeven uur ’s ochtends op luidspreker met het thuisfront belden. Op luidspreker. Om zeven uur. ’s Ochtends. Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar mijn behoefte aan contact met de buitenwereld is op dat tijdstip doorgaans vrij beperkt. En dan lig je daar. In je veel te dure safaritent. Met je gewone bed, je eigen badkamer en je airco. Maar ondertussen hoor je écht alles wat er om je heen gebeurt. Toen dacht ik wel even: geef mij maar de wandjes van onze caravan.

Tijdens onze vakantie ging ik bij mijn zus een bakkie doen. Zij stond met haar eigen caravan een stukje verderop op de camping. En toen ik vanaf haar caravan even naar het toiletgebouw liep, gebeurde er iets geks. Ik liep door straatjes met alleen maar échte kampeerders en dacht ineens: ai, ja. Dit mis ik toch. Dat loopje. Mensen die voor hun caravan zitten. Iemand die je groet. Een praatje hier, een knikje daar. Je loopt langs mensen die je misschien helemaal niet kent, maar die toch een beetje bij jouw tijdelijke wereldje horen. Dat gemoedelijke, dat zit toch echt alleen in échte kampeerders. In onze safaritent hadden we natuurlijk ook buren. En we stonden ook gewoon op een camping. Maar toch voelde het anders. Misschien komt het doordat je in een accommodatie op je veranda achter een balustrade zit. Met je eigen sanitair, je eigen keuken en je eigen comfortabele plekje. Je hoeft eigenlijk nergens naartoe. En juist daardoor mis je soms de kleine ontmoetingen die het campingleven ook zo leuk maken. Ik had er nooit zo bij stilgestaan, maar blijkbaar is dat voor mij een belangrijk deel van kamperen.
En daar zit ik dus een beetje mee. Want wat is kamperen eigenlijk? Is het slapen in een tent? Dan hebben we gekampeerd. Is het buiten leven? Ook gedaan. Is het op een camping staan, tussen andere kampeerders? Zeker. Maar hoort het gedoe er ook bij? Het opbouwen, het afbreken, het gesleep met spullen en het gekruip over elkaar heen? Dat laatste vind ik tegenwoordig gewoon een stuk minder aantrekkelijk. Vroeger hoorde het er gewoon bij. Ik deed het en daarna kon de vakantie beginnen. Nu denk ik soms: ik heb helemaal geen zin om eerst een halve dag bezig te zijn voordat ik aan mijn vakantie kan beginnen. En dat is misschien ook gewoon een kwestie van ouder worden. Of van een drukker leven. Of van kinderen die groter worden en inmiddels ook graag een beetje hun eigen ruimte hebben.

Misschien verandert het idee van kamperen dus gewoon met je mee. Ik vind het buiten leven nog steeds heerlijk. En ik ben gek op dat gemoedelijke van een camping waar mensen elkaar groeten en waar je met je eigen kampeerspullen meteen onderdeel van bent. Maar ik vind het gemak van inpakken voor een accommodatie fantastisch. Slaap graag op een goed bed. Houd van een beetje ruimte. En als het buiten 35 graden is, vind ik airco eigenlijk helemaal geen verkeerd idee. Ben ik dan een verwende kampeerder geworden? Misschien. Blijven we dit doen? Voorlopig waarschijnlijk wel. En tegelijk zeg ik hardop: de kans is aanzienlijk dat we ooit wél weer met eigen caravan gaan als de kinderen besluiten niet meer mee te gaan. Dit past nu gewoon even bij de fase waar we in zitten. En we hebben genoten. Maar hebben we dit jaar nou gekampeerd? “Eh… ja. Nou ja. Een beetje”